Dossieropdracht 2 – Bit verslag

november 19, 2008 door priemgetal

Deel A: Hoofdstuk 1 & 2 uit: ‘Effectief leren in de les’.

 

Inleiding

Na het lezen van deze 2 hoofdstukken vond ik het erg moeilijk om een BIT-verslag te maken over beide hoofdstukken. Vandaar dat ik er voor gekozen heb om voor beide hoofdstukken een apart BIT-verslag te maken.

 

BIT-verslag Hoofdstuk 1: Kenmerken effectief leren en directe instructie.

 

Begrijpen

 Is de strekking van wat ik gelezen heb mij duidelijk?

De strekking van het gelezene is mij duidelijk.

 Is de argumentatie of onderbouwing helder en juist?

Ja, dat vind ik wel, de schrijvers geven veel voorbeelden bij hun argumenten.

 Welke vragen heb ik n.a.v. de strekking en argumentatie?

Ik heb geen vragen, het hele stuk was mij duidelijk

 Integreren

Hoe past wat ik gelezen heb bij mijn eigen ervaringen? Heb ik voorbeelden of tegenvoorbeelden?

Op mijn eerste leerwerkplek liep ik met 2 verschillende docenten mee. Een van de 2 docenten gaf les aan montessori-klassen en de andere docent gaf les aan klassen die ‘gewoon onderwijs’ krijgen. Op deze school bevonden zich dus beide onderwijsvormen.

De brugklassers die toen der tijd  montessori-onderwijs volgend kregen per les ongeveer 8 minuten klassikale uitleg, om vervolgens daarna de rest van het lesuur (lesuur duurde 45 minuten) zelfstandig te werken en vragen te stellen aan de docent. Wat mij altijd erg opviel was dat een deel van de leerlingen niet altijd zelfstandig aan de slag waren.

Bij de ‘gewone lessen’ werd er ongeveer 30 minuten uitgelegd en 15 minuten zelfstandig gewerkt. Ook hier viel mij op dat niet alle leerlingen altijd geconcentreerd en actief bezig waren. Dit geldt voornamelijk voor de tijd dat er uitgelegd werd.

Op mijn huidige leerwerkplek had ik 2 jaar geleden een begeleider waarbij ik regelmatig lessen bekeek. Ik besefte me toen dat dit kwam doordat de docent alle leerlingen veel beter bij de les betrok. Pas na het lezen van dit hoofdstuk besef ik me dat een deel is van directe instructie.

Ik kan me nog herinneren dat mijn oude begeleider tafelgroepen had gemaakt van 4 leerlingen en dat deze 4 leerlingen gezamenlijk tot een antwoord op een bepaalde vraag moesten komen. Na 10 minuten werd er van elke tafelgroep een willekeurig groepslid gekozen die moest vertellen tot wat voor antwoord de groep was gekomen. Dit is een voorbeeld wat ook in hoofdstuk 1 wordt gegeven.

Welke verbanden zie ik met andere onderwerpen of theorieën?

Veel ervaren docenten hebben mij aangeraden om niet een heel lesuur lang klassikale uitleg te geven aan een klas. Ook werd mij verteld dat leerlingen onmogelijk 45 minuten achter elkaar zelfstandig kunnen werken (De docenten die les gaven via het montessori-onderwijs-systeem dachten hier natuurlijk anders over).

Het boek is het duidelijk eens met deze ervaren docenten. Het boek begint al met 2 voorbeelden hoe het niet moet, deze zijn vergelijkbaar met het advies wat ik kreeg van deze ervaren docenten.

Wat spreekt mij wel/niet aan? Wat vind ik wel/niet belangrijk?

Het hoofdstuk heeft zeker wat opgeleverd. Directe instructi en individuele aansprakelijkheid zijn begrippen waar ik nog niet eerder van had gehoord. Daardoor sprak het hoofdstuk mij zeker aan. Ik besef me nu dat individuele aansprakelijkheid een uitstekende manier is om leerlingen bij een les te betrekken, op deze manier zijn leerlingen bijna wel verplicht om mee te doen met de les.

Desondanks zie ik ook een nadeel: Deze manier van werken kost extra tijd: tafel groepen maken, leerlingen laten nadenken en daarna antwoorden, overleggen in groepjes enzovoorts. Dit lijkt me tijdrovend.

Toch ben ik er voor, want ik vind: Het is beter om wat minder stof te behandelen dan om veel stof te behandelen die toch niet blijft hangen.

 Toepassen

Welke mogelijkheden zie ik om het gelezene in de (onderwijs-)praktijk productief te maken?

Op mijn leerwerkplek heb ik momenteel 2 eigen klassen (1 VMBOt/HAVO en 2 VMBOt). Het lijkt me interessant om in deze 2 klassen bepaalde (verschillende) stof op 2 verschillende manieren uit te leggen.

Vlak voor een proefwerk wil ik in een van de 2 klassen de leerlingen een samenvatting laten maken over de wiskunde stof om deze vervolgens klassikaal te bespreken (Wat moet je nu echt kunnen voor het proefwerk?)

In de andere klas wil ik vlak voor het proefwerk wil ik de leerlingen indelen in tafelgroepjes van 4. Elk groepje wil ik bepaalde andere som geven. In een groepje gaan de leerlingen eerst zelfstandig hun som oplossen. Zodra het hele groepje hiermee klaar is, is het de bedoeling dat de leerlingen in het groepje elkaar uitleggen hoe ze deze de som hebben aangepakt. Het is de bedoeling dat na deze uitleg elk groepslid weet hoe je deze som goed op kunt lossen. Nadat dit gedaan is, kies ik elke keer een willekeurige leerling uit een groepje, deze persoon mag dan op het bord aan de rest van de klas uitleggen hoe zijn of haar groepje deze som heeft opgelost.

Nadat ik deze 2 lessen heb gegeven wil ik deze lessen met mijn begeleider en mijn leerlingen kort evalueren, zodat ik hiervoro mezelf lessen uit kan tekken?

Welke concrete voornemens maak ik hierbij?

Ik wil dit voor het einde van dit schooljaar uitgevoerd hebben.

 

BIT-verslag Hoofdstuk 2: Effectief leren en directe instructie, de lespraktijk in fasen.

Begrijpen

Is de strekking van wat ik gelezen heb mij duidelijk?

Ja, het is mij duidelijk wat de schrijvers van dit boek met hoofdstuk 2 willen bereiken.

Is de argumentatie of onderbouwing helder en juist?

Ook in hoofdstuk 2 vind ik dat de verschillende voorbeelden in het hoofdstuk de verschillende kennis goed onderbouwd.

Welke vragen heb ik n.a.v. de strekking en argumentatie?

Ik heb geen vragen.

Integreren

Hoe past wat ik gelezen heb bij mijn eigen ervaringen? Heb ik voorbeelden of tegenvoorbeelden?

Hoofdstuk 2 sluit absoluut goed aan bij mijn eigenervaringen. Er staat in stuk 2.3.1 duidelijk beschreven dat als de leerlingen binnen komen in het lokaal, het niet verstandig is om te wachtten tot dat alle leerlingen stil zijn. Er wordt verteld dat het handig is om de les te beginnen met een aandachtrichter. Het lijkt mij moeilijk om elke les weer voor een aandachtrichter te zorgen. Ik denk dat er voor het vak wiskunde maar weinig echte interessante aandachtrichters te vinden zijn.

Toen ik voor het eerst les ging geven wachtte ik ook altijd totdat het stil werd. Al gauw stapte ik van die methode af en probeerde met behulp van mijn stem er voor te zorgen dat de leerlingen stil en geconcentreerd zijn. Ook hier was ik niet heel erg mee tevreden, momenteel sta ik bij de deur en ‘ontvang’ ik de leerlingen met een praatje of een vriendelijke opmerking. Zodra de leerlingen zitten, loop ik een rondje en wijs ik de leerlingen er op dat ik wil beginnen met mijn uitleg en dat ze hun spullen voor zich moeten nemen. Ik merk dat dit voor mij een effectieve methode is.

Er staat in het hoofdstuk dat het goed is om in ieder geval regelmatig een les goed voor te bereiden. Dit is iets wat ik nog (bijna) altijd doe, omdat dit mij rust geeft omdat ik weet dat het goed komt met de les. Ik vind het alleen jammer dat er in het boek niet duidelijk aangegeven staat dat je soms opeens van je planning af moet wijken omdat er iets heel anders gebeurd dan dat jij verwacht. Ik heb een blok uur les met 2 VMBO, ik had mijn les tot in de puntjes voorbereid.  Ik had een hele mooie opbouwende powerpoint gemaakt die ik kan gebruiken in mijn les. Nadat de leerlingen waren gaan zitten en hun spullen voor zich hadden genomen bleek het smartbord niet te werken, toen kon mijn voorbereiding bijna totaal de prullenbak in.

In het hoofdstuk viel mij tevens op dat het belangrijk is dat leerlingen weten hoe ze hulp kunnen vragen en aan wie (klasgenoten of docent). Dit is iets wat ik ook erg belangrijk vind. In het begin van het schooljaar heb ik de leerlingen verteld hoe ze hulp kunnen vragen. Het is de bedoeling dat leerlingen in eerste instantie aan degene die naast hun zit vraagt of zij/hij kan helpen met een opgave, mocht deze buurman of buurvrouw nog niet bij deze som zijn of deze som ook niet begrijpen, dan is het de bedoeling dat deze leerling het aan mij vraagt.

Welke verbanden zie ik met andere onderwerpen of theorieën?

Mijn oude stagebegeleider vertelde mij altijd dat je niet langer dan 20 minuten aan het woord moet zijn. In dit boek wordt ook duidelijk verteld dat leerlingen maar 10 tot 15 minuten hun aandacht kunnen richten op klassikale uitleg, dit komt dus overeen.

In het boek worden verschillende tips gegeven die nuttig zijn om een les goed voor te bereiden. Een van die tips is om doelen te stellen. In het boek lesgeven en zelfstandig leen van Titus Geerligs & en Tjipke van der Veen wordt ook aangeraden om leerdoelen op te stellen, kennelijk wordt dit dus door veel ‘kenners’ belangrijk gevonden.

Wat spreekt mij wel/niet aan? Wat vind ik wel/niet belangrijk?

Ten eerste spreekt het mij aan dat je de les in 7 fasen kunt indelen, ik denk dat het belangrijk is om deze 7 fasen goed te kennen.

In de nulde fase spreekt mij aan dat je niet alleen duidelijk noteert wat je zelf gaat doen, maar ook wat er van de leerlingen wordt verwacht.

Wat mij ook aanspreekt, wat ik ook te weinig doe, is leerdoelen van te voren stellen.

Een ander punt wat mij nuttig lijkt is aan leerlingen vragen wat ze nu eigenlijk afgelopen les geleerd hebben. Het lijkt dat je een goed beeld krijgt van je gegeven les aan de hand van hun antwoorden op deze vraag.

 Toepassen

Welke mogelijkheden zie ik om het gelezene in de (onderwijs-)praktijk productief te maken?

Ik heb veel geleerd van dit hoofdstuk en de voorbeelden die er in staan.

Ik heb gekozen voor 2 punten waarvan ik gebruik wil maken:

 1.      In mijn lesvoorbereiding voortaan opnemen wat ik van de leerlingen verwacht en voortaan de leerdoelen voor mezelf op een rijtje zetten (Wat ik wil ik nu met deze les of lessenserie bereiken?)

2.      Ik wil een keer aan de leerlingen vragen wat ze nu eigenlijk afgelopen les geleerd hebben, dit wil ik doen door bij het einde van de les bij de deur te gaan staan en aan de leerlingen individueel te vragen wat ze afgelopen les nu geleerd hebben. Wellicht geven de leerlingen me zulke goed feedback dat ik daarmee mijn lessen kan veranderen en verbeteren.

Welke concrete voornemens maak ik hierbij?

Dit wil ik in de volgende les al gaan uitvoeren, het is immers niet gigantisch veel werk. Mocht dit heel veel voordelen opleveren dan wil ik dit meer (voortaan?) gaan gebruiken.

 

Deel B: Hoofdstuk 4 uit: ‘Wiskunde onderwijs in de basisvorming’

 

BIT-verslag Hoofdstuk 4: Contexten van buiten de wiskunde in de les.

Begrijpen

Is de strekking van wat ik gelezen heb mij duidelijk

Ja, alles wat er in stond is mij duidelijk. Wel vind ik dat het op een ouderwetse (soms saaie manier) geschreven is.

Is de argumentatie of onderbouwing helder en juist?

Ja, ook in dit boek en hoofdstuk stonden enkele leuke praktijkvoorbeelden.

Welke vragen heb ik n.a.v. de strekking en argumentatie?

Ik vraag me alleen af: Is alles nog relevant wat er in dit boekje te vinden valt? Het onderwijs is in de afgelopen 15 jaar behoorlijk veranderd volgens mij. (het boek is uit 1993)

 Integreren

Hoe past wat ik gelezen heb bij mijn eigen ervaringen? Heb ik voorbeelden of tegenvoorbeelden?

Het hoofdstuk begint met het optellen en aftrekken van negatieve getallen. Zelf heb ik ook onder vonden dat leerlingen die lastig vinden. Veel leerlingen weten na verloop van tijd wel hoe het werkt, maar dat komt puur omdat ze de regels uit hun hoofd hebben geleerd (bijvoorbeeld: Min en min wordt plus). Het was goed om hier (nogmaals) over te lezen. Er wordt gesproken over het feit dat een getallenlijn voor leerlingen vaak handig is, zelf heb ik dit ook zo ervaren maar de heksenketel is vaak nog makkelijker voor leerlingen. Ik denk dat dit komt doordat de leerlingen hierbij beter beseffen waarom min en min plus wordt.

Iets anders wat mij opviel in dit hoofdstuk was het feit dat het inslijten van sommen een andere wending heeft gekregen vergeleken met vroeger. Vroeger moesten leerlingen een hele boel rijtjes van een bepaald soort som doen, waardoor deze automatisch ingesleten raakte. Tegenwoordig groeien leerlingen langzaam in dit proces. Als je kijkt naar de methode Moderne wiskunde dan valt daarin vaak op dat leerlingen langzaam in de nieuwe stof groeien en daarna pas uitleg krijgen, om vervolgens moeilijkere opgaven op te moeten lossen. Ik moet zeggen dat ik dit zelf een onprettige manier van werken vind, zelf lees ik het liefst eerst 3x de nieuwe theorie om hier vervolgens mee aan de slag te gaan. Desondanks denk ik dat er genoeg mensen (en dus leerlingen) te vinden zijn die dit een prettige manier van werken zullen vinden.

In het stuk in het boek dat over de realiteit bij de sommen betrekken staat heel kort dat sommige sommen waarin fantasie voorkomt ook goed aan slaan. Dit heb ik zelf ook gemerkt, ik had een onrealistische som bedacht over zwevende objecten en afstanden en de leerlingen gingen er gelijk mee aan de slag omdat ze het onderwerp interessant vinden.

In het boek komt ook de term mathematiseren voor. Zelf vond ik dit als leerling wel eens lastig omdat er in het boek vaak veel geoefend wordt met rijtjes en in toetsen komen vaak veel minder rijtjes sommen voor (in ieder geval op de middelbare school waar ik zelf les heb gehad).

In het boek wordt verteld dat het belangrijk is dat je bij individuele uitleg de sommen niet voor moet doen, omdat als leerlingen zelf iets ontdekken het beter blijft hangen en het zelf oplossing/ontdekken als succes ervaren. Ik merk dit ook vaak bij leerlingen, indien ze opeens wel weten hoe het moet zie je dat ze daar blij van worden(hoewel er helaas ook genoeg leerlingen te vinden zijn die niks liever hebben dan dat ik het antwoord voor zeg).

Welke verbanden zie ik met andere onderwerpen of theorieën?

Aan het einde van het hoofdstuk worden 3 manieren van houvast gegeven. Dit sluit precies aan bij hoe ik leerlingen individueel help. In het eerste jaar van mijn studie hebben wij een lijst gehad met heuristieken, deze lijst gebruik ik altijd (natuurlijk wel in mijn hoofd).

Op mijn leerwerkplek zijn er 4 projectweken in het jaar. In zulke projectweken krijgen de leerlingen in een week tijd verschillende (vaak overstijgende) projecten. Deze projecten zorgen er voor dat de leerlingen vakken combineren met de ‘echte wereld’. Zo kunnen de leerlingen bijvoorbeeld de opdracht krijgen om een brief te schrijven aan de Nederlandse regering om subsidie aan te vragen voor een bepaald project. De leiding van mijn school waar ik les geef vindt het belangrijk dat de vakken aan de praktijk worden gekoppeld. In het boekje staat een stuk over het feit dat het belangrijk is dat leerlingen dicht bij het probleem willen staan, dit sluit dus goed aan bij een deel van de visie van zulke projectweken.

Wat spreekt mij wel/niet aan? Wat vind ik wel/niet belangrijk?

Een eerste punt wat mij aanspreek is realiteit in sommen, in het hoofdstuk valt te lezen dat de contexten uit de sommen een deel van het wereldbeeld van de wereld verschaffen. Toen ik voor het eerst lessen moest geven, bedacht ik vaak voorbeeldsommen waarbij de getallen onrealistisch zijn. Nadat mijn begeleider mij vertelde dat ik dit beter niet kon doen ben ik hier mee opgehouden, dit is een extra reden om daar niet mee door te gaan.

Iets anders wat me aanstond uit dit hoofdstuk waren de open vragen die je aan leerlingen kunt stellen. Ik vond het leuk om te lezen dat er opdrachten zijn die de leerlingen op hun manier moeten en kunnen oplossen. Het lijkt me leuk om de leerlingen een keer zo’n opdracht te geven, zodat ze hun (wiskundige) creativiteit kwijt kunnen. Wel lijkt het me goed om hier uitgebreid over na te denken, zodat de leerlingen wel aan de slag gaan (en geen vliegtuigjes gaan vouwen zoals in het hoofdstuk te vinden valt).

Wat mij ook aan staat is het stukje: ‘Duidelijk maken wat je verlangt en waar dat goed voor is’. Het lijkt me belangrijk om hier kritisch bij mezelf na te gaan of dit gebeurt bij mij in de les.

Iets anders wat ik leuk vond om te lezen was dat je aan leerlingen kunt vragen: Wat wil jij nu eigenlijk (leren/doen)? Ik heb hier nooit eerder over nagedacht.

 Toepassen

Welke mogelijkheden zie ik om het gelezene in de (onderwijs-)praktijk productief te maken?

Ten eerste wil ik een keer een open opdracht aan de leerlingen geven / laten maken. Dus een opdracht waar in leerlingen zich niet in een gang bevinden waarin ze niet naar links of naar rechts bevinden, maar een opdracht waarbij de leerlingen zelf bepalen welke brede gang ze kiezen (er zijn natuurlijk wel grenzen).

Ten tweede lijkt het mij goed om bij mezelf en de leerlingen kritisch na te gaan of het nu duidelijk is wat is precies verlang en verwacht van de leerlingen. Dit wil ik bij de leerlingen doen door dit simpelweg aan ze te vragen (Bijvoorbeeld: Snap je nu wat de bedoeling is? Wat je moet maken, hoe je dat moet doen en waarom?). Bij mezelf wil ik dit nagaan, door op te letten hoe ik vertel aan de leerlingen wat ik van ze verwacht (kan dit uitgebreider en daardoor beter? Enzovoorts).

Als laatste wil ik meer aan de leerlingen vragen wat zij nu precies willen. Hier wil ik simpel mee beginnen, na een bepaalde groepsopdracht wil ik aan de leerlingen vragen of ze liever meer in groepen werken of dat ze toch liever zelfstandig aan de slag zijn. Dit kan ik later natuurlijk nog uitbreiden. Hopelijk weet ik hierdoor (nog) beter wat de wensen van de leerlingen zijn.

Welke concrete voornemens maak ik hierbij?

Deze open opdracht wil ik maken en de leerlingen laten maken zodra hier tijd voor is en zodra het hoofdstuk zich hiervoor leent.

Ik wil zo snel mogelijk bij mezelf controleren (eerst volgende les die ik geef) of ik duidelijk genoeg ben in wat ik verlang en verwacht van de leerlingen. Een van de volgende lessen die ik geef wil ik ook aan de leerlingen vragen of ze goed genoeg hebben begrepen wat ik van ze verwacht of verlang.

Het laatste punt wil ik ook snel uitvoeren. Over 2 weken gaan de leerlingen in ieder geval een samenwerkingsopdrachtje doen in mijn wiskundeles, dit lijkt mij een mooi moment om dit aan de leerlingen te vragen. 

 

 

 

 

 

Dossieropdracht 1 – muurtje bouwen

november 17, 2008 door priemgetal

Deel A: Maak je eigen lijstje

Naar aanleiding van het artikel ‘Wat moet een goede wiskundeleraar kunnen’ en de les van vandaag heb ik gekozen voor de volgende 5 belangrijkste bekwaamheden.

Een goede wiskunde docent:

1. Moet goed en helder kunnen uitleggen.
2. Heeft begrip en geduld voor de (zwakkere) leerlingen.
3. Moet leerlingen kunnen motiveren voor het vak wiskunde.
4. Moet de stof voldoende beheersen.
5. Kan goed improviseren.

1. Een docent moet goed en helder kunnen uitleggen.

Veel leerlingen vinden wiskunde een moeilijk vak en een deel van de leerlingen vindt het ook een vervelend vak. Om het vak voor veel leerlingen een stuk duidelijk en dus ook leuker te maken, is het van belang dat de docent goed helder uit kan leggen.

2. Een goede wiskunde docent heeft begrip en geduld voor de (zwakkere) leerlingen.

Zoals ik hierboven ook al aangaf vinden veel leerlingen wiskunde een moeilijk vak. Ik denk het heel erg belangrijk is om geduldig te zijn met zwakke leerlingen, omdat het ‘lang’ kan duren voordat een zwakkere leerling iets begrijpt. Het begrip hangt hier natuurlijk mee samen, een leerling kan vaak niet beter en een docent moet er voor zorgen dat hij/zij zich hier niet aan gaat ergeren, zo’n leerling doet immers zijn/haar uiterste best.

3. Een goede docent moet leerlingen kunnen motiveren voor het vak wiskunde.

Een goede wiskunde docent weet (in mijn ogen) zijn vak zo te brengen dat de leerlingen geboeid zijn en daardoor gemotiveerd raken om zelf aan de slag te gaan. Als de docent het allemaal niet belangrijk vindt, dan zullen de leerlingen dat ook niet snel vinden.

4 Een goede docent moet de stof voldoende beheersen.

Als docent wiskunde is het erg belangrijk dat je leerlingen goede en gerichte uitleg kunt geven. Het is belangrijk dat je als wiskundedocent niet uren moet denken en puzzelen om een bepaalde opgave op te kunnen lossen, dit kost nuttige tijd en dit zorgt er wellicht voor dat leerling je niet meer serieus nemen.

5. Een goede docent kan goed improviseren.

In mijn ogen kan een goede wiskundedocent goed improviseren als er iets onverwachts gebeurd. Laatst had ik een les voorbereid met powerpoint-presentatie en toen bleek het smartbord stuk, het is dan belangrijk dat je snel een goede oplossing bedenkt.

De punten hier boven heb ik opgesteld voor een wiskundedocent, maar een groot deel van de punten zijn tevens toepasbaar voor docenten die andere vakken geven. Maar als je de punten er uit pakt, je zult zien dat ze speciaal voor wiskunde docenten erg belangrijk zijn. Neem nu punt 1: Een docent moet goed en helder kunnen uitleggen. Wiskunde is voor veel leerlingen op de middelbare school iets nieuws en erg moeilijks, dat betekent dat een wiskunde docent het extra duidelijk en helder moet uitleggen om de leerlingen het te laten begrijpen.

Deel B: Aspecten

Ik ben er van overtuigd dat ik als docent nog een hele boel kan en zal leren, mijn werkplekbegeleider zegt altijd: ‘In het onderwijs leer je elke dag nog, al werk je er al 40 jaar!’ Ik ben het hier mee eens. Per punt beschrijf ik of ik vind of ik wel of niet dat punt behoorlijk beheers.

Punt 1: De leraar stimuleert leerlingen om gegevens en uitkomsten kritisch te beoordelen.

Dit is een punt wat ik nog goed moet ontwikkelen. Vaak vraag ik wel aan leerlingen: ‘Hoe kom je aan het antwoord?’ of ‘Hoe weet je dat zo zeker?’ of ‘Hoe kun je controleren of je het goed hebt gedaan?’. Ik denk dat ik dit beter kan ontwikkelen door sommige lessen van te voren mezelf de vraag te stellen: ‘Hoe kan ik hierbij de leerlingen kritisch naar hun gevonden antwoord laten kijken?’

Punt 2: De leraar stimuleert de leerlingen creatief te zijn in het bedenken van oplossingen.

Dit is een punt waar in ik mezelf al behoorlijk heb ontwikkeld. Dit vind ik omdat ik vaak (in mijn hoofd) de hulpladder met heuristieken gebruik om de leerlingen verder te helpen.

Punt 3: De leraar schenkt aandacht aan het proces van wiskundig generaliseren.

Dit is iets wat ik veel te weinig doen. Ik stel de leerlingen veel te weinig de vraag: ‘Wat voor soort som is dit nu? Hoe hebben we die net opgelost?’ Als ik leerlingen simpele haakjes wegwerken uitleg, dan zal ik duidelijker moeten zijn dat je zulke simpele haakjessommen altijd kunt oplossen met een bepaalde manier (bijvoorbeeld de papegaaienbekmethode).

Punt 4: De leraar schenkt aandacht aan de ontwikkeling van een goed wiskundig taalgebruik.

Dit is iets wat ik steeds beter aan het ontwikkelen ben, dit komt doordat ik hier bij mezelf goed op let. Ik let er ook altijd goed of de leerlingen de juiste wiskundige termen gebruiken (geen vierkant voor rechthoek enzovoorts).

Punt 5: De leraar vraagt van leerlingen een bepaalde omgang met problemen (analyseren, plan van aanpak maken, schriftelijk neerslaan)

Dit is iets wat ik gedeeltelijk goed doe. Ik vertel de leerlingen altijd dat het vaak nuttig is om een som eerst in het klad op te lossen en daarna volledig op te schrijven. Waar ik te weinig op let is het eerst analyseren van een som. Ik vertel leerlingen wel altijd dat ze goed moeten lezen, maar ik vertel de leerlingen te weinig dat het vaak goed is om eerst rustig na te denken over een bepaalde opgave. Ook als ik, zonder hulp van leerlingen, op het bord een som op los, vertel de leerlingen te weinig hoe ik weet dat ik deze som op een bepaalde manier moet oplossen.

Punt 6: De leraar controleert regelmatig of de leerlingen de essentie van een wiskundig probleem hebben begrepen.

Dit is iets wat ik wat ik regelmatig doe als ik klassikaal samen met de leerlingen een som oplos. Vaak vraag ik: ‘Wat is nu precies de bedoeling?’ of ‘Wat willen ze nu precies wat je berekend/bepaald?’. Dit zal ik blijven doen, hopelijk zal ik me hierin in de toekomst (automatisch) nog verder in ontwikkelen.

Punt 7: De leraar geeft niet direct zelf de aanzetten voor de oplossing van problemen.

Zoals ik hier boven al aan gaaf werk ik vaak met de hulpladder van heuristieken in mijn hoofd, deze zorgt er voor dat ik leerlingen stapje voor stapje de goede richting in stuur waarbij ze zelf tot het antwoord moeten komen. Alleen klassikaal leg ik een som uit zonder de hulp van de leerlingen zelf, dit doe ik omdat het anders te veel tijd kost.

Punt 8: De leraar bevordert de communicatie over wiskundeproblemen tussen leerlingen onderling.

Als de leerlingen zelfstandig aan de slag zijn zeg ik altijd: ‘Vraag eerst fluisterend aan degene die naast je zit uitleg, weet hij/zij het ook niet, dan vraag je mij om uitleg’. Ik vind dit een belabngrijk punt, omdat niet alleen de leerling de leerling die wat uitgelegd krijgt wat leert, de leerling die uitlegt ook leert door het geven van de uitleg. Wellicht kan ik leerlingen meer in groepjes laten werken, zodat leerlingen onderling nog meer van elkaar leren.

Punt 9: De leraar maakt goed gebruik van didactische hulpmiddelen.

Ik maak redelijk goed gebruik van didactische hulpmiddelen. Ik werk altijd met het smartbord (met verschillende progamma’s) en ik laat de leerlingen vaak op de computer werken met nuttige wiskundige progamma’s.

Punt 10: De leraar verwijst naar andere vakken/leergebieden of naar leerstof uit andere domeinen.

Laatst heb ik een les gegeven over procenten en ik heb niet verwezen naar het vak economie, nu ik er over nadenk was het wel goed geweest als ik dat wel had gedaan. Ik verwijs te weinig naar andere vakken en ik moet dit meer gaan doen.

Punt 11: De leraar motiveert de leerlingen voor wiskunde en wekt interesse voor de inhoud.

Ik probeer zelf gemotiveerd over te komen (ook als ik dat zelf in mindere maten ben) en ik probeer hierdoor de leerlingen (extra) te motiveren voor het vak wiskunde. Wellicht kan ik de leerlingen meer in andere werkvormen laten werken waardoor ze nog gemotiveerder raken.

Ik heb deze punten eerlijk beantwoord en het valt me in positieve zin mee hoeveel van de punten ik grotendeels al bezit. De punten 3 (De leraar schenkt aandacht aan het proces van wiskundig generaliseren), 5 (De leraar vraagt van leerlingen een bepaalde omgang met problemen (analyseren, plan van aanpak maken, schriftelijk neerslaan) en 10 (De leraar verwijst naar andere vakken/leergebieden of naar leerstof uit andere domeinen) zijn de punten waar ik nog het meeste kan en moet leren. Dit zijn dan ook de 3 punten die ik in de komende tijd beter wil ontwikkelen. Dit ga ik doen door zodra ik een lesplan maak deze 3 punten er bij te pakken en te kijken hoe ik deze 3 punten in de les kan verwerken (indien mogelijk).

Welkom….

november 17, 2008 door priemgetal

Welkom op de blog van Rob M. voor Vakdidactiek wiskunde.